Vaas

Dat ik een hele grote vaas probeerde schoon te maken, maar dat altijd nogal een klus is. Als ik hem rechtop in de gootsteen zet komt hij boven de kraan uit, dus kan ik er geen water in laten lopen. Daarom moet ik hem schuin houden, maar dan probeer ik wel te zorgen dat mijn hele aanrecht niet ook onder water loopt. Vervolgens moet ik er echt in met een borstel. Mijn hele onderarm en een deel van mijn bovenarm gaan mee. Nu stonk de vaas nogal, ik laat bloemen altijd te lang staan. Dus ik wilde met mijn arm de randen niet aanraken, anders kon ik voor mijn gevoel wel weer gaan douchen daarna. Het voelde een beetje alsof ik zo’n spel met een zenuwspiraal deed, het was schier onmogelijk. En het deed me ook nog aan iets anders denken, maar ik kon er even niet op komen wat. En toen wist ik het: alsof ik een kalf uit een koe aan het trekken was. Maar dan met een stuk minder spectaculair resultaat.

Verdacht

Dat ik in het bos een stukje achter iemand anders liep, ook met hond. We hadden hetzelfde tempo, bleek, dus de afstand tussen ons bleef gelijk. Het was verder een heel rustig paadje. Ze had al een keer achterom gekeken en we hadden al ‘hoi’ gezegd, maar het bleef een beetje ongemakkelijk. Vooral toen zij scherp rechtsaf sloeg en ik dat ook echt van plan was geweest en het dus toch ook maar deed. Vanaf toen keek ze steeds vaker om. Ik overwoog nog even om ‘ik volg je niet hoor’ te zeggen bij een volgend oogcontact, maar had gelukkig net op tijd door dat dat best eng klonk.

Ik had een zandheuvel in mijn hoofd waar ik wilde gaan zitten om de tekst voor mijn optreden te leren, dan kon de hond ondertussen lekker rennen en snuffelen. Waar ik links richting die heuvel moest, ging zij gelukkig rechtdoor. Maar toen ik daar aankwam zag ik haar aan de andere kant van de heuvel weer tevoorschijn komen. Gelukkig zat ik als eerste en was ik nu minder verdacht, ook omdat zij degene was die was omgelopen. Misschien kon zij mij ook gewoon niet goed loslaten.

We zaten een tijdje schuin tegenover elkaar op die heuvel, of eigenlijk was het een zandkuil in een heuvel en zaten we óm de kuil. Onze hondjes renden en speelden met elkaar in de kuil en ik leerde mijn tekst. Zij deed verder niks, dus uiteindelijk was zij toch echt het meest verdacht.

Ruikruimte

Dat je de voerbakken van onze honden niet te dicht bij elkaar moet zetten, want dan gaan ze om het eten vechten. Het moet duidelijk zijn wat van wie is en dan gaat het prima. Maar als ik ze samen uitlaat en ze hebben ergens een perfect ruikplekje gevonden is er niks aan de hand. Ze staan gerust tegelijk aan precies hetzelfde hoekje van een stenen muurtje te ruiken, of exact hetzelfde boompje. Blijkbaar is er genoeg ruikruimte, zijn ze niet bang dat de ander te veel geur opsnuift en er dan te weinig voor hen overblijft. Toch zou je denken dat ze juist dan ook wel even om de beurt kunnen, om dan lekker even die hele stoeptegel voor zichzelf hebben. Maar dat doen ze nooit. Er is blijkbaar genoeg van, maar moet het wel nu.

Naarstig 

Dat ik voor het eerst ‘naarstig’ op zoek was geweest ergens naar. Namelijk naar een reservesleutel. Die zocht ik in de groene kast, een kast die nog van mijn ouders is geweest met allemaal kleine laatjes (hij hoorde destijds bij de groene tafel). Eerder leek dat me zo’n overbodig woord, ‘naarstig’, zo’n woord dat we het niet zouden missen als het er niet was. Maar nu ik al die stapels zooi uit de laatjes bovenop de kast zag liggen, en overal sleutels zag, en de laatjes die nog open stonden, dacht ik: dit moet het resultaat zijn van naarstig zoeken, dat kan niet anders.

Kinderwagen

Dat iemand mij vroeg om te helpen haar kinderwagen uit de trein te tillen. Dat ik dat deed, en het al een beetje een wankel gebeuren vond, ik had namelijk maar één hand vrij. Toch lukte het me om te zorgen dat hij niet kantelde. Ik zette hem op het perron neer, niks aan de hand. Maar toen ik weg wilde lopen werd ik ineens gecorrigeerd door een man die de kinderwagen nog een klein stukje verplaatste, en daarbij een opmerking maakte over dat het wiel niet alsnog tussen het perron en de trein moest komen. De moeder en hij lachten er even om, zo van: ja, stel je voor. Dat ik hem toen een overbezorgde zeikerd vond maar ook bang was dat ik ‘m echt niet goed had neergezet.

Prooi

Dat ik jeuk had na het douchen, dat heb ik wel vaker bij de wisseling van de seizoenen. Dat ik om het tegen te gaan kokosvet op mijn armen en benen smeerde, maar de kat dat doorkreeg en die nogal gek is op kokosvet. Dat ze van mij niet met haar neus in het kuipje mocht en het toen maar van mijn armen en benen probeerde te likken. Dat dat ook niet mocht, onder andere omdat ik het er dan voor niks op had gesmeerd. Dat ik toen wegging en me als een soort prooi door het huis verplaatste.

Opblijven

Dat ik een vrij ascetisch weekje achter de rug had. Ik had geen optredens en mijn vriend was op een congres, en dat resulteerde er blijkbaar in dat ik vroeg naar bed ging en daarna steeds vroeg opstond om te schrijven. Dat ik toen bijna vergat hoeveel ik eigenlijk van opblijven hou.

Gisteren realiseerde ik het me ineens weer, toen ik het deed. Meteen kwamen er allemaal herinneringen boven van dat ik vroeger ook altijd op wilde blijven. Als er dan een vriendinnetje kwam logeren was ik zo beledigd dat zij op een gegeven moment, na heel lang kletsen, liever wilde slapen dan nog meer kletsen – als ik eraan terugdenk voel ik het nóg. Of op schoolkampen, dan kon ik hele nachten doorgaan, en snapte ik niet waarom je ooit nog zou willen slapen. Je moet zulke voorliefdes wel een beetje onderhouden, anders vergeet je wie je echt bent.

Dat ik vanochtend weer eens met chips heb ontbeten, dat was ook lang geleden.

Oneerlijk

Dat ik altijd vind dat het verschil tussen fietsen en hard fietsen zo weinig oplevert qua tijd. Dan race je echt zo hard je kunt, kom je totaal bezweet en kapot aan, en dan heeft het 14 minuten geduurd in plaats van de normale 18. Dat vind ik oneerlijk, als je je twee keer zo naar voelt als je aankomt zou je ook minstens twee keer zo snel moeten zijn, vind ik.

Klink 

Dat ik gisteren naar beneden liep en de deur van de hal naar de woonkamer open wilde doen, maar de klink het ineens niet meer deed. Hij bewoog wel, maar pakte ‘m niet. Dat ik toen even dacht echt opgesloten te zitten in mijn huis, zonder telefoon want die lag in de woonkamer. En mijn vriend kwam voorlopig niet thuis. Gelukkig heb ik boven een badkamer met een kraan en dus ook water, dacht ik toen, dus ik zou het wel een tijdje uit kunnen zingen. Tot ik besefte ook gewoon uit het badkamerraam te kunnen klimmen. Tot ik besefte dat ik de voordeur gewoon nog open kon doen.

Dat ik toen steeds via buiten naar de achterdeur moest lopen en zo naar de woonkamer. En daarna via buiten weer naar boven. Ik merkte wel hoe snel je bepaalde dingen dan minder belangrijk gaat vinden, het boeide me bijvoorbeeld niet meer welke jas ik aandeed, als hij maar in het huis-gedeelte lag waar ik me op dat moment bevond. Een groene jas op een groene broek is niet optimaal en heeft iets boswachter-achtigs, maar via buiten naar de hal om een blauwe jas te halen heeft vooral iets vermoeiends.

Een beetje zoals met kamperen, dat je tijdens de week voelt dat steeds minder dingen je wat uitmaken. Het begint met je uiterlijk, daarna een vliegje in de thee (ik drink het vliegje dan alsnog niet op maar de thee wel), en lekker altijd dezelfde kleren aan. Met één stel kleding ben je er eigenlijk wel op zo’n vakantie, maar thuis kan ik me dat elk jaar opnieuw niet voorstellen dus neem ik altijd te veel mee. Je eisen voor plekken die je beschouwt als acceptabel om op de grond te zitten nemen ook af. Op een gegeven moment is bijna elke grond wel zit-baar. Een natte reet is wel even vervelend, maar als je daarna op je buik op een droog stuk gras gaat liggen lost dat zichzelf ook wel weer op.

Was het leven maar kamperen, denk ik soms. Nu kan ik daar iets van meepikken in mijn eigen huis. Met dank aan de klink.

Schooien

Dat mijn ene hond altijd al schooide, maar die andere niet. Hij leek simpelweg niet door te hebben dat hij ook menseneten zou kunnen eten. Inmiddels weet hij het wel – we hebben hem verpest door af en toe wat te geven. En op de een of andere manier vind ik zijn geschooi nu een stuk irritanter dan dat van die andere hond. Omdat ik weet dat hij ook zo goed zonder kan.