Dat ik mijn fiets op het station wilde pakken, maar er toen een gele papieren hanger aan mijn stuur hing met reclame erop. Daar zit je dan vervolgens als eigenaar maar mooi mee. aar. Soms doen ze het ook met een elastiekje, of ze gooien het in mijn krat. Dat is wel een nadeel van mijn fiets, jongeren gooien er soms ook afval in (ik ga ervan uit dat het jongeren zijn). Als ik dat ontdek (zowel bij afval als bij reclame), zegt mijn gevoel altijd dat ik het op de grond wil flikkeren, dan kan ik mijn boosheid erover nog een beetje kwijt. Maar dan lijk ík daarna de milieuvervuiler, terwijl zij dat eigenlijk zijn. Het alternatief is dat ik het voor ze weg ga gooien, maar dan beloon ik het in feite en wie weet staan ze wel om de hoek. Dan ben ik ook nog bang dat ze dat zien en in hun vuistje lachen (deze uitdrukking heb ik ook nog nooit eerder kunnen toepassen). Zo dwingen ze me te kiezen tussen schuldgevoelens en sulgevoelens.
%20Anne%20van%20Zantwijk_header.jpg)
Hoge verwachtingen
Janneke heeft hoge verwachtingen, van zichzelf én van het leven. Hoe dat elke keer weer tegenvalt, lees je hier.
Dat ik me overdag niet echt naar voelde door het hele coronagebeuren, maar ’s nachts wel steeds nachtmerries had. Over andere dingen, maar toch. Onbewust grijpt het me wel aan, concludeerde ik toen. Zo empathisch ben ik. Totdat ik aan een ander boek begon, waarin de hoofdpersoon zichzelf niet te gronde richt, en mijn nachtmerries als sneeuw voor de zon verdwenen. Het kwam dus door wat ik eerder elke avond las in plaats van door de beelden op het journaal. Blijkbaar leef ik meer mee met fictieve hoofdpersonen dan met de realiteit.
Dat ik met mijn vriend en de hond op de hei liep en daar een vage bekende tegenkwam. Dat zij toen zag dat onze hond maar drie poten heeft. ‘Ik ken nog iemand met zo’n hond’, zei ze, ‘maar die gaat er volgens mij wat handiger mee om.’ Dat ik dat helemaal niet leuk vond om te horen, en niet wist hoe snel ik haar moest vertellen dat de onze er eigenlijk ook heel goed mee uit de voeten kon, maar nu gewoon oud aan het worden is. ‘Vroeger liep hij zo vijftien kilometer’, deed ik er nog een schepje bovenop. Daarna piepte ze wel anders.
Dat we daarna weer doorliepen en mijn vriend zei dat het helemaal een beetje pijn deed, dat die vrouw dat zei. Dat ik me toen ineens ook kon inleven in al die ouders die op hoge poten naar de school van hun kinderen gaan om te klagen over hun onrechtvaardige rapport.